Het verhaal van de Amerikaanse roos ‘Ninebark’ 

(Physocarpus opulifolius Diabolo)

door Natasha van Rensen, november 2019

Er was eens een Noord-Amerikaanse roos die op de weelderigste plek op aarde stond die je je maar kunt voorstellen. Frisgroen, hij groeide en bloeide, en was gelukkig. Zo gelukkig dat hij straalde. De kleine vogeltjes vonden het heerlijk bij hem en floten er op los. Hommels, bijen, vlinders en zelfs motten wilden graag in z’n buurt zijn en zoemden en fladderden om hem heen.

Op een dag kwam er een klein duiveltje langs: “Bah, wat is al dat geluk hier.” Al snel zag hij wie het middelpunt was van al dat geluk.

“Dat zal ik eens gaan veranderen, haha”, dacht het duiveltje gemeen en fluisterde de roos in: ”Kijk eens naar je buurman de Esdoorn. Hoe mooi zijn bladeren zijn. En hoe groot en statig hij wel niet is.” Maar de roos luisterde niet naar al die onzinpraatjes van het duiveltje. Hij was gelukkig, gelukkig met zichzelf, met wie hij was.

Het duiveltje snapte niet dat hij de roos niet van z’n stuk kon brengen. “Hoe kan hij nou zo tevreden, zelfs gelukkig blijven terwijl ik dit allemaal in z’n blaadjes fluister en door z’n plantenaders laat stromen.” Het duiveltje bleef het proberen, proberen om de roos van z’n stuk te brengen, een einde te maken aan al dat geluk. Maar niets hoor, de roos was en bleef gelukkig.

Het duiveltje werd bozer en bozer dat het de roos maar niets deed. Door al die boosheid raakte het duiveltje verhit, werd roder en roder en ging gloeien van al die hitte. De aarde rondom de roos verschroeide langzaam, de vogeltjes konden de hitte niet verdragen en vlogen naar buurman Esdoorn. En ook de hommels, bijen, vlinders en motten bleven uit z’n buurt.

“Ha”, dacht het duiveltje, “nu zal hij wel niet meer zo stralen van geluk.“ Maar nee, de roos stond er nog steeds, onverstoord, en …. gelukkig. Met z’n blaadjes in de zon, zijn wortels in de grond, het gefluit van de vogeltjes bij de buurman, zelfs het gezoem en gefladder van de vlinders en de motten kon hij horen, zijn hart was nog steeds vervuld.

“Aaaa, ” het duiveltje werd woest. Zo woest, zo boos, zo verhit dat hij ontbrandde. Hij werd één grote vuurbal en ontplofte, helemaal opgebrand door al die woede, verteerd en vergaan, foetsieweg.

Na de knal van die enorme uitbarsting kwamen de vogeltjes, de hommels en de bijen, de vlinders en de motten voorzichtig kijken. Ze vreesden het ergste. En o jee, wat was er met de fris groene roos gebeurd. Alle groene kleur was uit z’n blaadjes verdampt, z’n vruchtjes helemaal opgeblazen en z’n takken helemaal verschilferd.

Maar toen ze nog dichterbij kwamen zagen ze dat de roos het had overleefd. En hoe. Zijn blaadjes waren nu mooi donkerrood en leken een beetje op die van buurman Esdoorn, zijn zaadjes binnen de opgeblazen vruchtjes veilig en wel, zelfs zijn geschilferde takken waren vol van het leven. Ongelofelijk vonden z’n vriendjes het. Daar stond hij, onverstoord, en ….. nog steeds gelukkig. Hoe taai was hij wel niet, hoe sterk en krachtig, alles had hij overleefd, hij leek wel een kat met negen levens. Vanaf die dag, omdat z’n vriendjes hem zo’n echte overlever vonden noemden ze hem ‘Ninebark’, negenschors in het Nederlands.

En ‘Ninebark’ was gelukkig, met z’n donkerrode bladeren, z’n opgeblazen vruchtjes en z’n wonderlijke geschilferde oude takken, onverstoord, vol van het leven, en van het geluk.

 

Feiten van het geslacht Physcarpus en de soort Physocarpus opulifolius Diabolo

  • Familie van de Roos (Rosaceae)
  • Komt uit Noord-Amerika
  • Heet in het Engels ‘Ninebark’, naar de schilferende bast van oudere takken
  • Physo betekent in het Grieks blaas, opgeblazen en Karpos fruit
  • Opulifolius betekend in het Latijn ‘blad dat lijkt op een Esdoorn’ (Opulus). [1]
  • Diabolo betekend Duivel in het oud-Spaans
  • Vogels eten graag de zaden en maken graag nestjes in deze struiken
  • Met z’n bloemen trekt hij hommels, bijen, vlinders en motten aan.
  • Hij is een waardplant voor vlinders en motten, een gastheer voor hun rupsen.
  • En het is een sterke plant die overal kan gedijen, zon of schaduw, droge of natte grond, arm of rijk, niet gevoelig voor ziektes en plagen.

[1] In de plantenwereld bestaat ook het geslacht Viburnum opulus, Gelderse roos in het Nederlands. Viburnum komt van het Latijnse woord viēre ‘winden, buigen’. Vreemd genoeg is dit geslacht helemaal geen familie van de Roos. Het blad van deze struik lijkt ook op die van een Esdoorn vandaar de ‘opulus’ in z’n naam. En het blad van de Physocarpus lijkt dus ook op die van de Gelderse roos.